Partij-top op TV, kleine partijen met moeite hoorbaar - Analyse van mediaoptredens bij de NPO tijdens de verkiezingscampagne 2025
August 10, 2026
Willemien Sanders (Utrecht Universiteit), Mariken van der Velden (Vrije Universiteit), Rana Klein (Beeld & Geluid), Maaike Jansen (Beeld & Geluid), Johannes Wassenaar (Beeld & Geluid)
Inleiding
In 2021 schreven we een Data Story over de Tweede Kamerverkiezingen van dat jaar. We onderzochten welke politici bij de NPO in beeld en aan het woord kwamen op televisie en radio. We stelden daarbij vier vragen: (1) welke politici komen aan het woord?; (2) hoe is de verdeling tussen vrouwen en mannen?; (3) hoe is de verdeling langs het politieke spectrum?; en (4) welke onderwerpen komen aan bod?
Bijna vijf jaar later zien we dat het idee om de mediaoptredens rond de verkiezingen te monitoren is overgenomen door twee belangrijke nationale nieuwsplatforms: NRC inventariseerde talkshowgasten en analyseerde wie er aan het woord was in talkshows en hoe lang en De Groene presenteerde De Politieke Schermtijdteller, die bijhield “welke politici waar verschenen, hoe vaak, en met welke boodschap”, hoewel over dat laatste niet echt iets wordt gemeld. Beide namen zowel programma’s van de publieke als van de commerciële omroepen mee en beide richtten zich enkel op televisieprogramma’s.
De NPO biedt een belangrijk platform voor maatschappelijk debat en heeft als publieke omroep de taak een pluriform aanbod te bieden. Een van de conclusies van het onderzoek in 2021 was dat de meeste media-aandacht uitging naar zittende politici en partijen en naar regeringspartijen, met name in de laatste twee weken voor de verkiezingsdag. Hoewel de coronapandemie hier mede debet aan was, mag van de publieke omroep worden verwacht dat hij een gelijk speelveld creëert waarin een brede waaier aan geluiden hoorbaar is. In 2021 verzaakte de NPO dit met betrekking tot de verkiezingen. We onderzoeken nu of dat veranderd is en nemen dezelfde vier vragen, die hierboven werden genoemd, als uitgangspunt voor deze Data Story over de Tweede Kamerverkiezingen 2025. Ter herinnering: het kabinet Schoof bestond uit een coalitie van PVV, VVD, NSC en BBB. Begin juni 2025 stapte de PVV uit het kabinet, na mislukte onderhandelingen over aanscherping van het asielbeleid. In de loop van augustus verliet ook het NSC het toen nog overgebleven demissionaire kabinet, als steun aan demissionair minister van Buitenlandse Zaken Veldkamp, die opstapte vanwege gebrek aan steun voor nieuwe maatregelen tegen Israël.
Data en analyses
De vier hierboven genoemde onderzoeksvragen beantwoorden we aan de hand van radio en TV-uitzendingen van een selectie van 45 programmatitels van de NPO, uitgezonden van woensdag 17 september tot en met dinsdag 28 oktober 2025 (de dag voor verkiezingsdag, de laatste campagnedag). De selectie is gebaseerd op programma’s waarin het waarschijnlijk is dat politici optreden, zoals nieuws- en actualiteitenprogramma’s, praatprogramma’s en verkiezingsdebatten.
Om analyseerbare data te krijgen, hebben we de geselecteerde programma’s onderworpen aan gezichts- en stemherkenning. Daarnaast hebben we automatische spraakherkenning (ASR) ingezet om de inhoud van programma’s om te zetten in tekst. We hebben de volgende analyses uitgevoerd:
- We hebben de inhoud met gezichts- en stemherkenning geanalyseerd op politici. Aan hun namen is een geslacht (vrouw, man, of non-binair) en een partij gekoppeld. Zo kunnen uitspraken worden gedaan over de genderverdeling en de verdeling langs (coalitie- en oppositie)partijen en partij-ideologie.
- De spraakherkenningsbestanden hebben we geanalyseerd op onderwerpen die aan bod kwamen.
Een uitgebreide methodische verantwoording is opgenomen in Appendix 1.
Bevindingen
We bespreken de bevindingen aan de hand van, achtereenvolgens, politici, partijen, gender en onderwerpen. We bespreken de aanwezigheid aan de hand van (1) het aantal minuten dat politici herkend zijn door de stemherkenningssoftware; (2) het aantal minuten dat politici herkend zijn door de gezichtsherkenningssoftware; (3) het aantal keer dat ze herkend zijn.1
Voor dit onderzoek is vooraf een lijst van 165 politici samengesteld. Hierbij is gekeken naar de kieslijsten: van de grote partijen (PVV, GL-PvdA, VVD, NSC, D66, BBB, CDA) zijn de eerste 10 kandidaten meegenomen, van de middelgrote partijen (SP, DENK, PvdD, FvD, SGP, CU, Volt, JA21) de eerste 5 en van de kleinere partijen (Vrede voor Dieren, BVNL, BIJ1, Libertaire Partij (LP), 50PLUS, Piratenpartij, FNP) de eerste 2. Deze lijst is aangevuld met 14 partijprominenten en de ministers en staatssecretarissen.
Van deze 165 personen zijn uiteindelijk 114 politici gedurende de campagneperiode daadwerkelijk herkend via hun gezicht of stem
1. Politici: een langzame start en radio versus televisie
We bespreken hier eerst de aanwezigheid van individuele politici over de gehele campagneperiode en daarna splitsen we de data verder uit.
1.1 In de laatste weken gaan vijf politici domineren
Net als in 2021 beginnen we met een visualisatie van de combinatie van de aanwezigheid van politici in de vorm van het aantal keren dat ze herkend zijn, het aantal minuten dat ze in beeld waren en het aantal minuten dat ze aan het woord waren. Figuur 1.1 visualiseert de bevindingen.
Figuur 1.1. De aanwezigheid van politici tijdens de zes campagneweken.
Uit de analyse van de zes campagneweken blijkt een duidelijke tweedeling in zichtbaarheid. Aanvankelijk zitten alle politici dicht bij elkaar maar vanaf week 4 strijdt een selecte groep politici om de media-aandacht.
In week 1 en 2 is de totale aanwezigheid van alle politici nog laag en liggen de waarden dicht bij elkaar, met een maximum van ruim 34 minuten (stem, Hanneke Steen, CDA). Vanaf week 3 zijn enkele lijsttrekkers, zoals Vermeer (BBB), Bontenbal (CDA), Dijk (SP) en Soepboer (FNP) vaker te zien of te horen.
In week 4 vindt een verschuiving plaats. Timmermans (GL-PvdA) schiet omhoog en Yeşilgöz (VVD) begint aan een opmars. Bikker (CU) en Eerdmans (JA21) springen er ook uit.
Dassen (Volt), Dijk (SP), De Vos (FvD), Moorman (GL-PvdA) en Stoffer (SGP) zijn voornamelijk te horen, terwijl Keizer (BBB), Jetten (D66) en Bontenbal (CDA) voornamelijk te zien zijn.
In week 5 zijn er vijf koplopers. Jetten (D66) is vooral te zien, wat zou kunnen komen doordat tijdens debatten vaker op hem werd ingezoomd of doordat er veel over hem werd gesproken en zijn foto werd getoond, mogelijk in de context van het RTL-debat van 12 oktober 2025 waar hij in plaats van Wilders aan mocht deelnemen en in het kader van zijn veelbesproken deelname aan de finale van de kwis De Slimste Mens, uitgezonden op 18 oktober 2025. Timmermans is ongeveer even zichtbaar als in week 4 maar iets minder te horen. Yeşilgöz, Bontenbal en Dijk zijn het meest aan het woord.
Negen andere politici zetten de achtervolging in, met name op basis van hun stem: Bikker, Dassen en in iets mindere mate Nanninga (JA21), Van Hijum (NSC), Ouwehand (PvdD) en Eerdmans. Van der Plas (BBB) en Keizer zijn ongeveer evenveel aan het woord als in beeld. Stoffer sluit deze rij. De overige politici blijven met lage scores veel minder zicht- en hoorbaar.
In de laatste week, week 6, schieten Yeşilgöz en Bontenbal omhoog. Yeşilgöz was iets minder vaak maar langer zichtbaar dan Bontenbal, die iets vaker maar korter verscheen.
Timmermans, Jetten, Van der Plas en Van Hijum vormen een tussengroep. Timmermans is na week 3 even zichtbaar gebleven gedurende de rest van de campagne, hij consolideert dus zijn positie. Wilders is ongeveer evenveel te zien als dit viertal maar nauwelijks te horen. Waarschijnlijk wordt hij heel vaak getoond en wordt er over hem gesproken, in de context van zijn afwezigheid bij debatten.
Andere lijsttrekkers zijn veel minder zichtbaar. Stoffer en Bikker zijn aanzienlijk minder vaak herkend dan Dijk en Eerdmans, ongeveer evenveel te zien maar meer te horen.
De Vos en Ouwehand zijn evenveel te zien als te horen en kandidaat-Kamerleden Keizer en Kostić zijn alleen maar te horen.
Al met al komt de campagne bij de NPO pas vanaf week 4, dat is rond 8 oktober, op gang. Daarbij neemt aanvankelijk Timmermans het voortouw maar hij wordt in week 5 bijgehaald door Jetten, Yeşilgöz, Bontenbal en Dijk. In week zes zetten Yeşilgöz en Bontenbal hen op achterstand en eisen verreweg de meeste aandacht op.
1.2 Het verschil tussen radio en televisie
In figuur 1.2 visualiseren we het aantal minuten gezichtsherkenning voor de 20 politici met de hoogste score hierin. Vrouwelijke politici zijn, net als in 2021, in het groen weergegeven, mannelijke politici in het rood.
Figuur 1.2. Totaal aantal minuten gezichtsherkenning top 20.
Wanneer we specifiek naar zichtbaarheid in beeld kijken, zien we dat politici van de nieuwe coalitiepartijen PVV, BBB en NSC minder te zien zijn dan politici van de traditionele (coalitie)partijen CDA, D66, GL-PvdA en VVD. Van der Plas staat weliswaar op de vijfde plaats maar het verschil met nummer vier is 100 minuten verdeeld over zes weken. Zoals figuur 1.1 laat zien is dat verschil vooral in de laatste vier weken gemaakt. Het verschil tussen de nummer 1, Yeşilgöz, en de drie mannen van CDA, D66 en GL-PvdA, Bontenbal, Jetten en Timmermans, die wat betreft gezichtsherkenning dicht bij elkaar zitten, bedraagt 33 minuten over de gehele periode, voornamelijk veroorzaakt doordat Yeşilgöz in de laatste twee weken meer te zien is. Yeşilgöz is de meest zichtbare vrouw, waarna in de top 10 twee of drie mannen steeds worden afgewisseld door een vrouw.
In figuur 1.3 is op eenzelfde manier de spreektijd van politici gevisualiseerd.
Figuur 1.3. Totaal aantal minuten stemherkenning top 20.
Wat betreft spreektijd is de top 3 – Yeşilgöz, Bontenbal en Timmermans – hetzelfde als bij gezichtsherkenning maar met een groter verschil. Timmermans is namelijk ongeveer 60 minuten minder te horen dan Yeşilgöz en 30 minuten minder dan Bontenbal. Dijk en Bikker nemen de vierde en vijfde plaats in. Jetten neemt de zesde plaats in, gevolgd door Van Hijum.
Figuren 1.2 en 1.3 laten zien dat traditionele partijen meer domineren op televisie dan op de radio. Het lijkt erop dat radio meer ruimte biedt voor diverse stemmen dan televisie. Dit verschil is goed te zien bij iemand als Mirjam Bikker (CU): in figuur 1.2 (gezichtsherkenning) staat zij op plek 11, terwijl ze in figuur 1.3 (stemherkenning) stijgt naar plek 5. Zij was dus minder in beeld op TV, maar aanzienlijk meer te horen op de radio.
Hoe vaak politici zijn herkend, hebben we eveneens gevisualiseerd. Figuur 1.4 toont de resultaten.
Figuur 1.4. Totaal aantal keren herkend top 20.
Wanneer we kijken naar hoe vaak politici zijn herkend – dus het aantal keer dat hun gezicht of stem voorkwam – ontstaat een ander beeld dan wanneer je stem en beeld apart bekijkt in minuten. Bontenbal en Timmermans worden het vaakst herkend, gevolgd door Yeşilgöz en Wilders, nog vóór Jetten. Wilders wordt vaak herkend maar is niet te horen. Dit bevestigt wat figuur 1.1 al liet zien: hij wordt veel getoond maar heeft geen spreektijd. Met andere woorden: er wordt over hem gesproken, hij spreekt niet zelf. Ook hier zijn traditionele partijen dominant.
Figuur 1.5a laat de gemiddelde spreektijd van politici zien: de totale stemherkenning (zie figuur 1.3) gedeeld door het aantal keren dat een politicus herkend is (zie figuur 1.4).
Figuur 1.5a. De gemiddelde spreektijd van de top 20.
Wanneer we alleen kijken naar hoe lang politici gemiddeld aan het woord zijn, is er veel meer diversiteit aan sprekers te zien. De overlap met de totale spreektijd is klein: slechts 6 van de 20 politici met de meeste spreektijd (zie figuur 1.3) staan ook in de top 20 van politici met gemiddeld de langste spreektijd (figuur 1.5a). Van Berkel (D66) staat duidelijk op de eerste plaats, terwijl ze niet in de top 20 van politici met de meeste spreektijd staat (figuur 1.3). Ze is dus weinig keren maar lang aan het woord geweest, waardoor het totaal laag is maar het gemiddelde hoog.
Van Berkel wordt gevolgd door Schippers (VVD). De derde plek is voor Bamenga (D66), daarna Nanninga (JA21) en Steen (CDA), gevolgd door Rummeni (CDA), Soepboer (FNP) en Moerman (D66). Er is dus diversiteit in gender en etniciteit maar het gaat duidelijk om de partij-subtop op de radio. De subtop wordt uitgenodigd voor langere gesprekken; de eerste personen van grote partijen komen niet eens in de eerste twintig voor wat betreft gemiddelde spreektijd.
De eerste partijleider is Dassen (Volt) op plek zestien, dan Stoffer (SGP) op zeventien, daarna volgt demissionair minister Gouke Moes (BBB) en partijleiders Van Hijum (NSC) en Struijs (50+) op plekken achttien tot twintig. Het verschil met nummer één over de gehele campagneperiode is twintig minuten.
In figuur 1.5b hebben we de resultaten van de gemiddelde spreektijd gesorteerd op de volgorde van politici zoals weergegeven in figuur 1.3, het totaal van de stemherkenning.
Figuur 1.5b. De gemiddelde spreektijd van de top 20 op volgorde van duur stemherkenning.
De visualisatie in figuur 1.5b bevestigt niet alleen de eerdere conclusies maar voegt een essentiële nuance toe over de aard van de spreektijd. Ze bevestigt dat Yeşilgöz vaak maar kort aan het woord is geweest in vergelijking met bijvoorbeeld Schippers of Nanninga, die veel minder vaak maar veel langer mogen spreken. Dit wijst op een fundamenteel verschil in mediagebruik: lijsttrekkers als Yeşilgöz verschijnen weliswaar frequent maar hun bijdragen zijn beperkt tot korte citaten, nieuwsflitsen of debatinterrupties. Daarentegen krijgen partij-subtop en specialisten – zoals Schippers (VVD) en Nanninga (JA21) – ruim de tijd voor diepte-interviews, achtergrondduiding en langere analyses. De data suggereren dat radio hierin een specifieke rol speelt: waar televisie de neiging heeft om bekende gezichten kort en frequent te tonen, biedt radio een platform voor langere, meer uiteenzettende gesprekken met een breder scala aan stemmen. Dit verklaart ook waarom de eerste partijleiders pas op plek zestien (Dassen) en zeventien (Stoffer) opduiken in de ranglijst van langste spreektijd. De conclusie is dat zichtbaarheid in aantal verschijningen niet gelijk staat aan spreektijd of inhoudelijke ruimte. De campagne kreeg op de radio een ander, meer divers en diepgravender podium dan op televisie.
2. Partijen: rechts domineert het ongelijke speelveld
We analyseerden ook de zichtbaarheid van partijen tijdens de campagneweken, aan de hand van hun politici. We bespreken eerst de resultaten in totaal en daarna de ontwikkelingen gedurende de zes campagneweken.
2.1 Coalitiepartij VVD domineert, met drie partijen in zijn kielzog
De analyse van partijzichtbaarheid aan de hand van hun politici laat een duidelijke dominantie zien van regeringspartij VVD gedurende de zes campagneweken. Zowel wat betreft gezichtsherkenning, spreektijd als het aantal keren dat partijen worden herkend, staat de VVD bovenaan. Deze dominantie roept vragen op over de mate waarin de publieke omroep erin slaagt een gelijk speelveld te creëren, zeker gezien de doelstelling van de publieke omroep om een pluriform media-aanbod te bieden.
Figuur 2.1. De aanwezigheid per partij tijdens de zes campagneweken.
Figuur 2.1 toont de aanwezigheid per partij tijdens de zes campagneweken. Het patroon is helder: de gevestigde partijen – met name VVD, CDA, GL-PvdA en D66 – domineren het nieuwslandschap, zowel in absolute zin als in vergelijking met oppositiepartijen en nieuwe partijen. De BBB weet als enige relatief nieuwe partij zich in dit veld min of meer staande te houden.
Deze resultaten splitsen we in figuur 2.2 verder uit. Wanneer we kijken naar de totale tijd dat partijen in beeld zijn geweest, voert de VVD de ranglijst met een ruime voorsprong aan.
Figuur 2.2. Totaal aantal minuten gezichtsherkenning per partij.
De VVD is maar liefst 8 uur en 20 minuten zichtbaar geweest, wat neerkomt op ruim anderhalf keer zoveel als de nummer twee, de BBB met 5,5 uur. GL-PvdA staat op de derde plek met 5 uur en 20 minuten, het CDA bezet de vierde plek met 5 uur, en D66 staat op de vijfde plek met 4 uur en 40 minuten. Met andere woorden: de twee overgebleven coalitiepartijen worden gevolgd door drie oppositiepartijen.
Na deze top 5 begint de lange staart. De PVV komt net onder de 3 uur zichtbaarheid, waarna de waarden geleidelijk afnemen tot de FNP helemaal onderaan met slechts 6 minuten in beeld. De nieuwe partij NSC, die bij de vorige verkiezingen hoog scoorde, komt pas op plaats 10 als het om zichtbaarheid in beeld gaat.
Ook wat betreft spreektijd (figuur 2.3) – de tijd dat partijen daadwerkelijk aan het woord zijn – is de VVD veruit de grootste.
Figuur 2.3. Totaal aantal minuten stemherkenning per partij.
De VVD is 9,5 uur te horen geweest, wat nog meer is dan de tijd dat de partij in beeld was. Dit wijst erop dat VVD-politici niet alleen vaak getoond worden maar ook relatief veel spreektijd krijgen. De tweede en derde plaats worden gedeeld door het CDA en de BBB, beide met ongeveer 6 uur en 45 minuten spreektijd. GL-PvdA volgt op de vierde plaats met 6 uur. Hier ontstaat een verschil met de beeldranglijst: GL-PvdA is meer in beeld dan aan het woord, terwijl het CDA juist meer aan het woord is dan in beeld. Ook wisselen coalitie- en oppositiepartijen elkaar af in de top.
De christelijke partijen lijken het op de radio beter te doen dan op televisie: zowel CU als NSC zijn relatief meer aan het woord dan in beeld. D66 staat ook op de vijfde plaats in spreektijd, net als bij beeld, met 5,5 uur. Daarna begint de staart weer, startend met de SP op 4 uur. Helemaal onderaan eindigt BIJ1 met 15 minuten spreektijd. Het is belangrijk op te merken dat de top 20 hier twee partijen bevat die helemaal niet te horen zijn geweest: BVNL en de LP, beide met 0 minuten spreektijd. Dit onderstreept hoe beperkt de toegang tot de publieke omroep kan zijn voor zeer kleine partijen.
Wanneer we kijken naar hoe vaak partijen zijn herkend (figuur 2.4) – dus het totaal aantal keren dat hun politici in beeld verschenen of we hun stem konden horen, ongeacht de duur – ontstaat een iets genuanceerder beeld.
Figuur 2.4. Totaal aantal keren herkend per partij.
De VVD staat ook hier op de eerste plaats en is 510 keer herkend, ruim meer dan de rest. GL-PvdA staat op de tweede plaats en is 320 keer herkend. Daarna volgt een middenmoot met D66 (272 keer herkend), CDA (256 keer herkend), PVV (253 keer herkend) en BBB (248 keer herkend) die dicht bij elkaar liggen. Dit betekent dat de PVV, ondanks een relatief lage totale zichtbaarheid in minuten, toch vaak wordt getoond – wat past bij het eerdere patroon rond Wilders, die veel verschijnt maar weinig aan het woord is. Hoewel de coalitiepartij VVD dus het vaakst is herkend, volgen daarna vooral oppositiepartijen. De staart begint met SP (136 keer herkend), JA21 (116 keer herkend) en CU (96 keer herkend). Vanaf NSC (58 keer herkend) neemt het aantal herkenningen snel af, tot de LP helemaal onderaan (slechts 4 keer herkend). Deze ranglijst bevestigt dat frequente verschijning niet altijd samenhangt met lange spreektijd; de PVV is daarvan het duidelijkste voorbeeld.
Al met al gaat de meeste aandacht uit naar de overgebleven coalitiepartijen VVD en BBB en hun uitdagers GL-PvdA, CDA en D66. Christelijke partijen CU en NSC vinden daarnaast gehoor op de radio. Voor kleinere partijen is in de campagneperiode beduidend minder aandacht.
2.2 Rechts domineert
De analyse naar ideologie (figuur 2.5) laat zien dat coalitiepartijen (PVV, VVD, NSC, BBB) aanzienlijk hoger scoren dan oppositiepartijen (links: GL-PvdA, SP, DENK, PvdD; rechts-populistisch: FvD, JA21), zowel in beeld als in stem en vooral vanaf week 4.
Figuur 2.5 Resultaten voor partijen behorende tot de regering, de linkse oppositie en de rechts-populistische oppositie.
Dit patroon is verklaarbaar vanuit de nieuwswaarde: regeringspartijen bepalen het beleid en worden daardoor vaker geciteerd, getoond en geïnterviewd. Toch wringt dit met de wettelijke en maatschappelijke doelen van de publieke omroep, die juist een gelijk speelveld zou moeten bieden aan alle democratische partijen, zeker in de aanloop naar verkiezingen.
De ongelijkheid is groot: de oppositie komt er in de campagneperiode bekaaid af. De analyse van de partijen op basis van ideologie laat zien dat vooral rechtse partijen goed scoren.
Figuur 2.6. Totale herkenning van politici in minuten, verdeeld over het politieke spectrum.
Binnen de oppositie scoren populistische oppositiepartijen (FvD, JA21) nog lager dan de meer gematigde rechtse oppositie (BBB, SGP). De afwezigheid van Wilders zal hier ook een rol hebben gespeeld. Ook links (BIJ1, Piratenpartij, PvdD, SP, Vrede voor Dieren) en centrum links (GL-PvdA) scoren een stuk lager. Dit roept de vraag op of de publieke omroep voldoende recht doet aan zijn taak om alle stemmen in de samenleving evenwichtig te laten horen en zien en of de aandacht voor de campagne te veel de bestaande machtsverhoudingen weerspiegelt. De cijfers laten in ieder geval een scheve verhouding zien die niet volledig te verklaren is door louter nieuwswaarde en die mogelijk bijdraagt aan een ongelijke startpositie voor oppositiepartijen in de verkiezingsstrijd.
3. Gender: mannen domineren bij progressief, vrouwen bij niet-progressief
Van de 114 politici die we meenamen in de analyses, zijn er 45 vrouw, 68 man en één non-binair. In percentages is dat 40% vrouw, 60% man en nog geen procent non-binair. Dit lage aandeel non-binaire personen kan geen rol spelen in de analyses van gender en daarom richten we ons verhaal noodgedwongen vooral op vrouwen en mannen. Er zijn ongeveer anderhalf keer zoveel mannelijke als vrouwelijke politici opgenomen in onze analyses. Daarom verwachten we dat bij een gelijke representatie mannen ongeveer anderhalf keer zo hoog scoren als vrouwen.
Figuur 3.1. De aanwezigheid van mannelijke respectievelijk vrouwelijke politici gedurende de campagneweken.
Figuur 3.1 laat zien dat in de eerste week van de analyses de vrouwen ongeveer half zoveel in beeld waren als de mannen, te weten 1 uur en 45 minuten (37%) respectievelijk 3 uur (63%). Vrouwen waren ook ongeveer half zoveel aan het woord als mannen: 2 uur en 15 minuten (34%) respectievelijk 4 uur en 20 minuten (66%). Vrouwen zijn dus in verhouding iets minder in beeld en aan het woord geweest dan op basis van hun aantal verwacht mocht worden.
In de tweede week werd het verschil groter: de vrouwen waren 1 uur in beeld (25%) en de mannen circa 3 uur (75%). De vrouwen waren net iets langer dan 1 uur aan het woord (20%), de mannen bijna 4 uur (80%). In deze week waren de vrouwen dus fors minder aan het woord en in beeld dan bij een gelijke verdeling te verwachten was.
In de derde week herstelt de verhouding zich wat en zijn de vrouwen 1 uur 20 minuten in beeld (31%) en de mannen 3 uur (69%). Vrouwen zijn 1 uur en 50 minuten aan het woord (32%), mannen 3 uur en 50 minuten (68%).
In week 4 begint er wat meer beweging te komen in de campagne. In deze week zijn vrouwen 2 uur en 40 minuten in beeld (38%) en mannen 4 uur en 20 minuten (62%). Dit komt in de richting van de verhouding onder de onderzochte politici. Vrouwen komen 4 uur aan het woord (41%), mannen 5 uur en 45 minuten (59%).
In de vijfde week schiet vooral de aandacht voor mannelijke politici omhoog, terwijl die voor vrouwelijke politici slechts licht stijgt. Vrouwen zijn deze week 3 uur en 40 minuten in beeld (33%) en mannen 7 uur en 30 minuten (67%). Vrouwen zijn 6 uur aan het woord in deze week (40%) en mannen 9 uur (60%) gelijk de verhouding onder de onderzochte politici.
In week 6 zijn de vrouwen 4 uur en 40 minuten in beeld (37%) en de mannen 8 uur (63%). De vrouwen zijn 6 uur aan het woord (41%) en de mannen 8 uur en 30 minuten (59%). Vrouwen komen dus in verhouding tot hun aandeel ook in deze week min of meer gelijk in beeld en aan het woord als mannen.
Vrouwen komen aanvankelijk minder vaak en minder lang in beeld en aan het woord dan op basis van hun aandeel onder politici in dit onderzoek verwacht mocht worden. Het verschil met hun vertegenwoordiging onder de politici schommelt tussen 20% (stem, week 2) en 41% (beeld, week 4; stem, week 6). Slechts in enkele gevallen en vooral in het tweede deel van de onderzochte periode is hun herkenning min of meer gelijk aan hun vertegenwoordiging. Dat betekent dat vrouwelijke politici bij de NPO ondervertegenwoordigd zijn in bijna elk van de zes weken voorafgaand aan de verkiezingen van oktober 2025.
In 2021 was er meer dynamiek in de verhouding tussen het aantal vrouwen en mannen. Hoewel mannen domineerden, waren vrouwen in week 1 iets meer in beeld en aan het woord en was het verschil tussen vrouwen en mannen klein in week 2 en 5 (zie figuur 3.1 in de Data Story uit 2021). In zijn geheel is de zichtbaarheid en hoorbaarheid van vrouwelijke politici tijdens campagnes voor de Tweede Kamerverkiezingen dus eerder verslechterd dan verbeterd.
Figuur 3.2 laat zien hoe gezichts- en stemherkenning en het aantal keren herkenning, zich voor vrouwelijke respectievelijk mannelijke politici gedurende de zes weken hebben ontwikkeld. De waarden voor gezichts- en stemherkenning zijn hierboven al besproken. We bespreken hier hoe deze zich verhouden tot het aantal keren dat vrouwen en mannen zijn herkend.
Figuur 3.2. Gezichts-, stemherkenning en aantal keren herkenning van mannelijke en vrouwelijke politici gedurende de zes weken (top/bottom 20).
Wat betreft stemherkenning laten de lijnen van vrouwen als mannen een gelijke ontwikkeling zien: tussen week 1 en week 2 dalen beide, tussen week 3 en week 5 stijgen beide scherp en richting week 6 buigen beide af. De lijn voor gezichtsherkenning van mannen volgt ongeveer dezelfde vorm, behalve wat betreft het afbuigen in week 6. De lijn van gezichtsherkenning van vrouwen heeft een andere vorm: deze stijgt weliswaar na week 3 eveneens maar veel minder steil en deze buigt na week 6 ook niet af. De ontwikkeling van het aandeel vrouwen en mannen aan het woord loopt dus ongeveer gelijk maar mannen komen eerder dan vrouwen meer in beeld. Vrouwen komen ook wel meer in beeld maar de toename is minder dan bij de mannen.
De lijnen voor het aantal keren dat vrouwen en mannen zijn herkend dalen aanvankelijk maar stijgen dan beide. De stijging is echter bij de mannen veel scherper dan bij de vrouwen. De lijn voor de vrouwen ligt ook gedurende de gehele onderzochte periode ruim onder de 40%-lijn (en schommelt tussen 29% en 33%). Dat betekent dat het aantal keren dat vrouwen herkend zijn en dus aan het woord en/of in beeld zijn geweest, structureel lager ligt dan wat op basis van hun aandeel onder de politici verwacht mocht worden.
Figuur 3.3 laat de verschillen in het totaal aantal minuten gezichts- en stemherkenning zien tussen vrouwen en mannen per partij.
Figuur 3.3. Verhoudingen tussen vrouwen en mannen per partij in minuten gezichts- en stemherkenning.
Het verschil tussen vrouwen en mannen is het grootst bij het CDA, waar mannen zo’n 10 uur en 20 minuten meer aan het woord waren dan vrouwen. Voor een christelijke partij met een mannelijke lijsttrekker is dat wellicht niet verrassend. Grote verschillen waren er ook bij partijen die zichzelf als progressief zien (maar dat niet per sé zijn): GL-PvdA, waar mannen 9 uur en 21 minuten meer spraken, en D66, waar mannen 8 uur en 39 minuten meer spraken. Beide kenden ook een mannelijke lijsttrekker, wat het verschil kan verklaren. Bij de SP is het verschil ook groot: mannen waren daar in totaal 5 uur en 13 minuten langer in beeld en aan het woord. Een ander beeld zien we bij de VVD en de BBB. Deze weinig progressieve partijen hadden beide een vrouwelijke lijsttrekker. Bij de VVD waren de vrouwen in totaal 5 uur en 58 minuten langer in beeld en aan het woord dan de mannen en bij de BBB was dat 5 uur en 8 minuten. Ook bij kleinere conservatieve partijen waren de vrouwen in totaal meer in beeld en aan het woord dan de mannen: bij de CU was dat 3 uur en 49 minuten meer en bij FvD 1 uur en 57 minuten. Beide hebben ook een vrouwelijke lijsttrekker. De signatuur van een partij doet dus weinig voor de personen die aan het woord komen. De PvdD en BIJ1 zijn de enige progressieve partijen waarbij de vrouwen meer in beeld en aan het woord waren dan de mannen, respectievelijk 1 uur en 27 minuten meer en 30 minuten meer. Bij de PvdD kwam alleen de vrouwelijk leider en de enige non-binaire persoon in beeld en aan het woord en bij BIJ1 betrof het partijprominente Sylvana Simons.
Samenvattend krijgen de vrouwen minder aandacht op radio en televisie dan op basis van hun aandeel verwacht mag worden en zegt partijsignatuur niets over de media-aanwezigheid van vrouwen en mannen: bij conservatieve partijen domineren vrouwen, bij ‘progressieve’ partijen domineren mannen.
4. Onderwerpen: verdediging dominant
Op basis van de stellingen in het Kieskompas en de trefwoorden in de toelichting bij standpunten van de partijen hebben we gekeken welke onderwerpen domineerden tijdens de campagne. In deze bronnen zijn 20 onderwerpen geïdentificeerd (zie appendix 5 voor de volledige lijst). Figuur 4.1 toont de vijf onderwerpen die het vaakst voorkwamen en de vijf onderwerpen die het minst vaak voorkwamen in programma’s in onze dataset.
Figuur 4.1 De vijf meest en vijf minst besproken onderwerpen.
De onderwerpen ‘EU en buitenland’ en ‘Defensie’ kwamen het vaakst aan bod, wat samenhangt met de oorlogen in Oekraïne en Gaza en ontwikkelingen rond de NAVO en de samenwerking met de VS. Ook ‘Economie en Arbeidsmarkt’, ‘Migratie’ en ‘Onderwijs’ kwamen ten opzichte van andere onderwerpen vaak aan bod. Een nadere analyse laat zien dat de eerste vier thema’s vaak in dezelfde afleveringen van programma’s werden besproken. Daarbij kwamen ‘Defensie’ en ‘EU en Buitenland’ vaak tegelijk en dus samen aan bod maar los van ‘Migratie’, dat als apart onderwerp wordt besproken. ‘Economie en Arbeidsmarkt’ kwam bij beide aan bod in de vorm van één of twee trefwoorden. Daarmee lijkt bij zowel ‘Defensie’ en ‘EU en Buitenland’ als ‘Migratie’ dus steeds kort op de relatie met ‘Economie en Arbeidsmarkt’ te worden gereflecteerd.
Het onderwerp ‘Jongeren’ kwam het minst vaak aan bod, wat op het eerste oog verrassend is, gezien de zorgen rond het welzijn van jongeren. Kijken we echter naar de zoektermen die terugkwamen in het Kieskompas rondom het onderwerp jongeren, dan ging het hierbij vooral om termen als de ‘basisbeurs’ of de ‘pechgeneratie’. Hier werd tijdens de campagne weinig over gesproken, wat terugkomt in de resultaten.
Veiligheid kwam ook minder vaak aan bod, in tegenstelling tot de Data Story over de verkiezingen in 2021, toen dit onderwerp op plek 5 van de meest besproken onderwerpen stond. In die Data Story zien we dat Veiligheid vooral betrekking had op gezondheid in verband met het Coronavirus. In het huidige onderzoek lijkt de discussie vooral te gaan over verdediging (defensie) in plaats van aanval (virus, (cyber)terrorisme).
Andere laag-scorende onderwerpen zijn ‘Diversiteit’, ‘Dierenrechten’ en ‘Koninkrijk der Nederlanden’. De meest voorkomende trefwoorden binnen het onderwerp ‘Diversiteit’ zijn ‘discriminatie’ en ‘racisme’, termen die veelal in de context van migratie en de oorlog in Gaza werden aangehaald door politici. Voor DENK was Gaza een belangrijk onderwerp in hun verkiezingsprogramma. De eerste twee minder belichte onderwerpen worden dus vooral uitgelicht door de kleinere oppositiepartijen.
Figuur 4.2 laat zien hoe de bespreking van deze onderwerpen zich ontwikkelde over de periode van de zes campagneweken.
Figuur 4.2: Gespreksonderwerpen gedurende de zes campagneweken.
De hoogst scorende onderwerpen, ‘EU en buitenland’ en ‘Defensie’, scoren vooral respectievelijk in week 4 (8-14 oktober) en in de weken 3-5 (1-21 oktober). In week 4 werd een staakt-het-vuren in Gaza overeengekomen, wat de pieken kan verklaren. In week 5 kwam de terugkeer van Syriërs aan bod, wat de stijging bij ‘Migratie’ kan verklaren.
Op 10 oktober (week 4) vond het eerste radiodebat tussen lijsttrekkers plaats. Daarin werd onder andere gesproken over het financieren van de extra uitgaven voor Defensie door te bezuinigen op de zorg en het eigen risico. ‘Onderwijs’ kent tussen week 4 en week 6 de hoogste stijging, wat te maken heeft met de discussie rondom artikel 23 en het bijzonder onderwijs. Daarnaast wordt het onderwerp door met name D66 gebruikt als tegenwicht tegen de aandacht voor migratie.
Hoewel het onderwerp ‘Jongeren’ in de eerste 3 weken nog wordt afgewisseld met ‘Koninkrijk der Nederlanden’ en ‘Dierenrechten’, is er in de weken 4-6 evident de minste aandacht voor dit onderwerp, voor zover het de termen betreft die we hieronder schaarden.
Conclusie
Voor deze Data Story hebben we de media-aandacht voor politici tijdens de zes weken voorafgaande aan de Tweede Kamerverkiezingen van 29 oktober 2026 geanalyseerd. Dat hebben we gedaan door 45 programmatitels van nieuws-, actualiteiten en praatprogramma’s op NPO radio en televisie te analyseren, inclusief verkiezingsdebatten. We hebben daarbij stem- en spraakherkenning gebruikt alsmede automatische spraaktranscripten (ASR).
De analyses laten zien dat de campagne pas in de tweede helft van de onderzochte periode, dat wil zeggen, 3 weken voor de verkiezingen, echt op gang komt. In die periode worden politici veel vaker herkend, zijn ze meer in beeld en meer aan het woord. Daarbij domineren op televisie vooral politici van traditionele partijen maar is er op de radio meer ruimte voor politici van kleinere en nieuwere partijen. Ook komt de partij-subtop vooral aan bod in meer diepgravende programma’s.
De analyses op partijniveau laten zien dat rechtse partijen, en dan met name de overgebleven coalitiepartijen VVD en BBB, domineren. Daarnaast zijn de traditionele partijen sterk vertegenwoordigd. Zeker in de tweede helft van de onderzochte periode is er veel minder aandacht voor de linkse oppositie en populistisch rechts. In termen van het politieke spectrum is er ook minder aandacht voor links en centrum links. Van een gelijk politieke speelveld lijkt bij de NPO dan ook geen sprake, net als in 2021. Echter, toen speelde corona een grote rol, met persconferenties van de minister-president (man, VVD), en de minister van Volksgezondheid (man, CDA) en van Financiën (man, CDA). Gezien vanuit de opdracht van de publieke omroep, is het gebrek aan diversiteit dan ook problematisch te noemen.
Met de genderverdeling gaat het deels beter: hoewel vrouwelijke politici aanvankelijk minder aan bod komen dan op basis van hun aandeel in de onderzochte politici mag worden verwacht, zijn ze in het tweede deel beter vertegenwoordigd. Dat is deels te danken aan het feit dat een aantal lijsttrekkers vrouw is. Dat zijn wel vrouwen die verbonden zijn aan niet-progressieve partijen als de VVD, BBB en CU, terwijl bij zichzelf als progressief positionerende partijen zoals GL-PvdA, D66 en Volt de lijsttrekkers man zijn. Kijken we naar de gehele periode, dan zijn vrouwen nog altijd ondervertegenwoordigd.
Wat betreft de besproken onderwerpen domineren ‘EU en buitenland’ en ‘Defensie’ de agenda, wat samenhangt met de oorlogen in Oekraïne en Gaza en de ontwikkelingen binnen de NAVO. De piek binnen dit onderwerp in week 4 zou verklaard kunnen worden vanuit het staakt-het-vuren dat in Gaza werd overeengekomen. Ook ‘Economie en Arbeidsmarkt’ en ‘Migratie’ komen relatief vaak aan bod. Het onderwerp ‘Jongeren’ werd het minst besproken, wat botst met de maatschappelijke zorgen over hun welzijn. Uit analyse van de zoektermen blijkt dat jongerenthema’s vooral beperkt blijven tot de ‘basisbeurs’ en de ‘pechgeneratie’, onderwerpen waar veel om te doen was maar waar tijdens de campagne weinig aandacht voor was. Tot slot is er een verschuiving zichtbaar in de betekenis van het begrip ‘Veiligheid’: waar dit in 2021 nog vooral over gezondheid (corona) ging, ligt de focus nu op nationale defensie.
Al met al ligt er dus nog steeds een taak voor de NPO om te zorgen voor een gelijker speelveld tijdens politieke campagne-periodes: net als in 2021 is daarvan onvoldoende sprake. Daarnaast zou de NPO beter kunnen letten op een goede vertegenwoordiging van vrouwen in radio- en televisieprogramma’s.
Team
Onderzoekers: Willemien Sanders (UU), Mariken van der Velden (VU)
Onderzoeksassistent: Maaike Jansen (B&G)
Ontwikkelaar en visualisaties: Maaike Jansen (B&G), Johannes Wassenaar (B&G), Rana Klein (B&G), Haftom Hailu (B&G), Tim Manders (B&G)
Reviewers: Matthijs Rooduijn (UvA), Mari Wigham (Huygens Instituut), Damian Trilling (VU)
Appendixen
Appendix 1. Methodische verantwoording
Selectie van programma’s
Voor dit onderzoek hebben we vooral nieuws-, actualiteiten- en praatprogramma’s geanalyseerd. Daarbij hebben we programma’s op de drie NPO televisienetten alsmede op Radio 1 en Radio 2 geselecteerd die in één van deze drie categorieën vallen of waarin als vast onderdeel gasten worden ontvangen. Dat leverde een lijst van 45 programmatitels op. Van deze titels hebben we de edities die in de periode van het onderzoek werden uitgezonden (17 september 2025 – 28 oktober 2025), geanalyseerd.
Om analyseerbare data te krijgen, hebben we de geselecteerde programma’s onderworpen aan stemherkenning (SpraakLab) en gezichtsherkenning (VicarVision). Daarnaast hebben we automatische spraakherkenning (ASR, ASR, Kaldi_NL) ingezet om de inhoud van programma’s om te zetten in tekst. Zie Appendix 2 voor alle titels die we geanalyseerd hebben op basis van ASR en Appendix 3 voor alle titels die we geanalyseerd hebben met gezichts- en stemherkenning.
Analyses
De ASR-bestanden hebben we geanalyseerd op het voorkomen van onderwerpen. Deze onderwerpen zijn gebaseerd op het Kieskompas en op de programma’s van de politieke partijen die tijdens de campagne minstens één zetel in de Tweede Kamer hadden. Termen die daarin voorkwamen hebben we gegroepeerd om een overkoepelend onderwerp te representeren. We hebben dubbelingen verwijderd, evenals termen die problematisch zouden kunnen zijn omdat ze bijvoorbeeld meerdere betekenissen hebben of in meerdere contexten worden gebruikt. Een volledig overzicht van de onderwerpen en gebruikte termen hebben we opgenomen in Appendix 5.
We hebben gezichtsherkenning toegepast op 609 tv-uitzendingen en stemherkenning op 509 tv- en 323 radio-uitzendingen voorafgaand aan de verkiezingen. In totaal betrof het 45 programmatitels. De data zijn gekoppeld aan 114 politici, kandidaten en partijprominenten die voorkomen in de Gemeenschappelijke Thesaurus voor Audiovisuele Archieven (GTAA). Hiermee is het mogelijk om de aanwezigheid van de persoon als stem of in beeld te analyseren, alsmede de duur van die aanwezigheid. Let op: iemand kan in beeld zijn zonder aanwezig te zijn in het programma, bijvoorbeeld in een clip of op een poster dat in beeld is. Ook kan het zijn dat iemand spreekt of in beeld is maar toch niet wordt herkend, omdat de persoon (nog) niet voorkomt in onze verzameling te analyseren personen. Of omdat er geen overtuigende match was volgens de toegepaste accuraatheid scores van de gezicht- en stemherkenningstechnieken (gezicht onduidelijk in beeld, stem niet helder). De aanwezigheid wordt gemeten in seconden maar voor de visualisaties hebben we dit omgezet in minuten.
Aan die namen van herkende politici hebben we een geslacht (vrouw, man of non-binair) gekoppeld op basis van de kieslijst en andere openbare bronnen. Ook hebben we de politici aan hun partij gekoppeld. Zo kunnen we ook uitspraken doen over de genderverdeling en de verdeling langs (coalitie- en oppositie)partijen en langs het politieke spectrum.
Appendix 2
Appendix 3
Appendix 4
Appendix 5
-
In 2021 rapporteerden we deze resultaten in seconden maar dit keer kiezen we voor minuten, zodat deze eenheid in alle visualisaties hetzelfde is.
↩
